Thérèse kweekt een Creoolse tuin in Guadeloupe. Ze weerstaat onzichtbare vergiffen. Haar handen versmelten met de aarde. Haar gezicht met het licht. “Voor Thérèse maakte de tuin deel uit van een decoloniaal activisme, omdat het een manier was om het land op eigen kracht te bewerken en het schoon te maken van de wijdverspreide vervuiling. Historisch gezien is chloordecon een insecticide dat op grote schaal werd gebruikt in Frans West-Indië en dat in het begin van de jaren 1970 op de markt werd gebracht met toestemming van de toenmalige minister van Landbouw, Jacques Chirac. Het was bedoeld om bananenparasitisme te bestrijden, maar het industriële en koloniale gebruik ervan leidde tot vervuiling van de natuurlijke omgeving en vergiftiging van plantaardig, dierlijk en menselijk leven. De film van Frédérique Menant plaatst ecologisch bewustzijn in het hart van het ecofeministische en postkoloniale vraagstuk: de tuin wordt een utopisch land van rewilding, van het herwinnen van macht, van regeneratie. Door de relatie tussen het gecultiveerde en het wilde binnen dezelfde filmische en agrarische perimeter te plaatsen, laat de filmmaker het westerse dualisme achter zich om het idee van continuïteit terug te winnen: ‘Erken de cultuur die is ontkend in de sfeer die is opgevat als pure natuur, en erken de natuur die is ontkend in de sfeer die is opgevat als pure cultuur.’” (Elio Della Noce)



