De films van Peter en Zsóka Nestler zijn geschiedenislessen die het verleden in verband brengen met het heden en het oude met het nieuwe. Aan het begin van deze film luisteren we naar een traditioneel Hongaars lied over de geschiedenis van de Donau (“...de wind waait vanaf de Donau...”) en zien we beelden van de handen van een pottenbakker die een vaas vormgeeft op een wiel. We horen een jongetje in een klaslokaal in detail de feiten beschrijven van de Slag bij Mohács uit 1526. Het werk is gefilmd in prachtige kleuren in de zomer van 1969 en documenteert een reeks reizen met een stoomboot. De veelgelaagde verhalen, opgediept uit het verre en recente verleden, vloeien samen met de trage voortgang van de rivierboot, het bewegende landschap en beelden van arbeid. De film richt zich tot de culturele, sociale en politieke geschiedenis van de rivier door het samenbrengen van verspreide geschiedenissen: van de gevonden overblijfselen aan de oevers, over de geschiedenis van de scheepsbouw en handel tussen de twee wereldoorlogen, tot de zeventiende-eeuwse boerenopstand en de gruwel van de Holocaust, geëvoceerd door een gedicht van Miklós Radnóti. De archeologische dimensie van Nestlers werk is samengevat in één van de eerste beelden van de film: een jongen speelt met een hoopje botten dat hij opgroef uit de grond. Het zette filmmaker Hartmut Bitomsky ertoe aan het belangrijkste gebaar van Nestlers werk te omschrijven als één van “vinden, tonen en vasthouden.”



