Achter de naam van de beroemdste bloem schuilt een eerbetoon. Aan wat? Aan de kleur rood; aan vurige vrou- wen. Aan vrouwen die woedend zijn om gerechtigheid, zoals Rosa Luxemburg; aan vrouwen die zich inzetten voor de strenge exactheid van een waarheidskunst, zoals Danièle Huillet. Want zoals duidelijk blijkt uit de data in de ondertitels (1916/1936/2006), lopen de stemmen van beide vrouwen door de “botanische partituur” die de beelden uitspelen. Het is de zorg van de laatste voor nauwkeurigheid die te horen is in de dictie van de brieven die de eerste in 1916 schreef. Terwijl Rosa Luxemburg bekend staat als de heldhaftige organisator van de Spartacusopstand die in 1919 vermoord werd door de politie, is het een ander timbre dan dat van de strijdlustige militant die hier weerklinkt. “Weet je nog wat we van plan waren te doen als de oorlog voorbij was?” schreef ze aan een van haar correspondenten. Dit is het onderwerp van haar brieven: de zekere herinnering aan de nasleep. De herinnering, zo indringend als een bespoking, aan het doel waarvoor de strijd gevoerd moet worden. Als er een revolutie moet worden ondernomen, en met alle toewijding die daarvoor nodig is, dan moet dat zijn om los te komen van een project dat gebaseerd is op rationaliteit. Met welk doel dan? Om de gracieuze, inconsequente onschuld van de oorspronkelijke tuin te herontdekken. Om weer een dier te worden, of een plant — natuur zonder fataliteit. Om, kortom en volgens een bekend messianisme, het beroemde mystieke programma “de roos is zonder waarom” van meester Eckhart te herwinnen. In haar eerste lange film viert Anne-Marie Faux de passie van een ontketend, bloemrijk bestaan, zonder toe te geven aan de eisen die zo’n ambitie vereist. (Jean-Pierre Rehm — FID)



